Ondanks zijn pluspunten heeft de PowerSeeker 80EQ duidelijke beperkingen. Het meest opvallende is de beperkte objectiefdiameter van 76 mm; dat is klein voor diepzee-objecten en resulteert in minder lichtverzameling dan grotere instapmodellen. Dit betekent dat zwakke nevels en diffuse waarneembare structuren vaak niet zichtbaar zijn, zeker onder stedelijke lichtvervuiling. Daarnaast kan er bij schemerige sterrenhopen en zwakke nevels weinig detail worden verwacht.
De montering en tripod zijn ontworpen voor lichtgewicht en draagbaarheid, maar dat komt ten koste van stabiliteit. Bij hogere vergrotingen of bij enige windgevoeligheid introduceert de set trilling en beweging, waardoor fijne observaties lastig worden. De equatoriale montuur vereist ook een correcte polaire uitlijning om soepel te kunnen volgen; voor absolute beginners kan dat in het begin frustrerend zijn en het ontbreken van een motoraandrijving maakt langdurig volgen omslachtig.
Bovendien is de 3x Barlow en het gebruikte 4 mm oculair nuttig voor hoge vergrotingen, maar levert dit ook verlies van helderheid en scherptedaling op — met name bij een kleine aperture. Ook kan er, afhankelijk van de werkelijke optische correctie (de set is waarschijnlijk achromatisch), enige chromatische aberratie optreden rond heldere planeten en de maan, zichtbaar als kleurfranjes. Ten slotte is er een kleine inconsistentie tussen de naamgeving (80EQ) en de opgegeven diameter (76 mm), wat vragen oproept over marketing versus technische specificaties.